Oeps

Je hebt het misschien al gezien op Facebook . Mijn tweede boek ‘Iedereen een ster’ komt uit. Vanaf a.s. vrijdag is het overal verkrijgbaar! JEAH!

Zoals je weet (en misschien ook niet) krijg je als auteur een paar exemplaren van de uitgever opgestuurd. Ik verwacht ze woensdag, morgen dus. Groot was dan ook mijn verbazing toen de postbode vanmiddag aanbelde. Niets besteld, dus waarom postbode?
Nog groter was mijn verbazing toen bleek dat hij me zelfs twee dozen van het CB (Centraal Boekhuis) overhandigde.
Als een blij lammetje hupste ik de woonkamer in met die twee dozen. Ik plantte ze op de keukentafel en zei tegen de kinderen: ‘Kom! Dit is even een dingetje, de super-aller-eerste keer dat ik mijn boek zie.’
Meteen stonden ze naast me. Om samen dit, voor mij, bijzondere moment te delen (Waarschijnlijk hoopten zij stiekem dat ik ze meteen zou nemen om ergens een taartje te eten om het te vieren).

Met kriebels in mijn buik sneed ik voorzichtig het plakband open, duwde de flappen opzij en herkende de cover (van Annet Schaap) niet.
Huh? Pas toen zag ik dat het niet mijn boek was, maar boeken van Arend van Dam.
Tja. Ook een A. van Dam. Inmiddels heb ik de boeken naar Arend opgestuurd en zijn ze onderweg naar hem.

Morgen krijg ik de mijne. Geen doos van CB, maar eentje van Uitgeverij Moon. En niet van het CB! En kan ik ‘Iedereen een ster’ vasthouden, aaien en ruiken. En er dan een dansje mee door de kamer maken. Vandaag was gewoon de generale repetitie denk ik dan maar zo 😉

Afronden

Zoals je weet, hou ik van lijstjes.

En dan bedoel ik geen boodschappen lijstjes (wel heel handig trouwens) maar vooral ‘things to do’ lijstjes. Zo heb ik een lijstje voor mijn lief met klusjes voor om-en-rond het huis. Een lijstje voor de kinderen met de weekplanning en voor mezelf een dagelijks lijstje, waar steevast ‘schrijven’ bovenaan staat. Je zult je er niet over verbazen dat ‘schrijven’  gedurende de dag verdwijnt naar een laatste plek onder het kopje: ‘als je nog tijd over hebt…’

Vanaf begin deze maand heb ik een nieuw lijstje. Mijn ‘Joehoe’ lijstje. Ik zie je wenkbrauwen om hoog schieten. Dat snap ik.Op het Joehoe lijstje staan geen dingen die nog moeten, alleen data. Mijn schrijfdagen tot aan de zomervakantie. Ze passen op een post-it.Het is mijn planning voor de komende weken. Ik vind het namelijk de hoogste tijd dat ik ‘Joehoe’ ga opsturen naar een uitgever, zodat ik in de Topklas (september 2013) aan een nieuw verhaal kan beginnen. Die hoofdpersoon van dat nieuwe verhaal, ze heet Svenja, dringt zich aan me op, achtervolgt me. Ik jaag haar nu telkens weg, omdat Laura haar verhaal nog niet helemaal heeft verteld.

Deze komende maand, ga ik Laura’s verhaal afronden. Daarna helemaal teruglezen, de feedback verwerken, het hele verhaal herschrijven, perfectioneren, polijsten en.. precies: daarna opsturen naar een uitgever. Het liefst voordat de zomervakantie begint. In mijn hoofd zit het romantische idee dat ik mijn manuscript onderweg naar het vliegveld in de brievenbus laat glijden, dat er muziek opstijgt zodra mijn verhaal de bodem van de brievenbus raakt, dat alle koeien die ik onderweg zie naar me lachen…

Laura verdient het, dat haar verhaal gelezen wordt.  Dat kinderen overal in Nederland kunnen lezen over haar dromen, wensen en met haar mee gaan op avontuur. Daarom dus het lijstje. Ik weet zelf best dat het nogal ambitieus is. Een verhaal binnen zo’n korte tijd, zo perfect te krijgen, dat de uitgever me belt en roept dat hij het nog voor de Kinderboekenweek wil uitbrengen.Het is vooral lang wachten, misschien dat ik pas tegen de kerst een afwijzing of een belletje krijg. Het is vooral ook geluk hebben. Soms vraag ik me af: wie zit er nou in hemelsnaam te wachten op een verhaal over een meisje dat een koe als huisdier wil?

 

Angelique

 

PS : ik zou het leuk vinden als je reageert op de blogs, dat mag op deze site, maar ook op mijn facebookpagina.

Kwijt

Ik ben een gewoonte dier. En al helemaal als het om sieraden gaat. Ik heb een bak met oorbellen, kettingen en ringen. Maar ik draag alleen de sieraden die me het dierbaarst zijn. Mijn trouwring, de andere ring die ik van mijn vent kreeg, toen het ‘mijn’ vent nog niet was. Een ring die ik kreeg toen we ons eerste kindje kregen. De ketting die ik kreeg met moederdag vorig jaar.

En dan heb ik een Pandora armband, die ik wilde hebben zodat ik hem vol kan sparen, bedels kan vragen als er een reden is voor een kadootje of bedels die een bepaalde periode afsluiten of juist inluiden. Zo kreeg ik een zonnetje van mijn lief toen hij zijn bedrijf opstartte. En een stapel boekjes toen ik bij de Bieb begon. Je zult begrijpen dat die armband heel veel voor me betekent. En toen gebeurde er iets vreselijks. Ik was hem kwijt. Niet zomaar kwijt, nee, foetsie-kwijt.

De Pandora is niet een armband die je ‘zomaar’ verliest. Het is er een die bijna met hangsloten om je arm vast zit. En ik doe hem nooit af. Nooit. Niet met slapen, niet met douchen. Dus ik mistte hem gelijk. Ik heb het hele dorp uitgekamd, mijn auto ondersteboven gekieperd en aangifte gedaan. Om vervolgens verdrietig te zijn, omdat ik mijn herinneringen armband kwijt was. Ik heb hem nog steeds niet gevonden.

Een dag nadat ik in zak en as zat om mijn kwijte armband dronk ik koffie met vriendin R. Ze raakt haar zevenjarige dochter kwijt. Wat loop ik in godsnaam te miepen over mijn kwijte armband..

© Angelique van Dam – maart 2012


Gedoe

Afgelopen zondag maakte ik, zoals alle andere zondagen, mijn boodschappenlijstje van de komende week. De gewone dingen, het zogenaamde ‘boter-kaas-en-eieren’ lijstje.
Mijn auto stond te ontdooien in de opkomende zon. Vandaag geen ruitenkrabben voor mij. Ik checkte de voorraadkast nog een keer om er zeker van te zijn dat ik alleen vandaag de supermarkt maar in hoefde. We hebben familieoverleg gehad over het eten met de Kerst. Alles komt goed. Mij maken ze niet gek.
Omdat het ontdooien van mijn ruiten iets minder snel ging dan verwacht, nam ik een frisse duik op het internet. Het eerste bericht waar mijn oog op viel: Supermarkten op weg naar Kerstrecord. Het CBL verwacht dat de kerstomzet voor het eerst boven de grens van 800 miljoen euro zal komen. Belachelijk!! Ik vraag me dan gelijk af: hoe zit het met de crisis die ons toch allemaal lijkt te treffen? Hebben we het allemaal dan toch niet slechter gekregen dit afgelopen jaar? Of doet iedereen boodschappen op zijn creditcard?

Hoe moet zo’n bericht binnen komen bij de mensen om ons heen die niet een extraatje hebben rond de feestdagen, zich afvragen wat ze in hemelsnaam op tafel kúnnen zetten deze kerst? Ik lees het bericht nog een keer en begrijp het niet. Waarom zo overdreven?

Nou heb ik dat overdreven gedoe van eten rondom de feestdagen nooit begrepen.
Ik eet, ook tijdens de feestdagen, niet meer dan normaal. Ik heb geen vreethaak op mijn broek. Ik eet waar ik zin in heb en als mijn buik vol is dan issie vol. Ik eet niet extra omdat de gastvrouw zo haar best heeft gedaan. Of omdat het ongezellig is als ik niet toch even dit of dat proef.

Als mijn autootje ontdooit is ga ik met een tas vol lege statiegeldflessen richting supermarkt. Ik werk mijn lijstje af en pak de dingen die ik nodig heb. Dan loop ik een bekende tegen het lijf. Zij doet écht nooit zelf de boodschappen, dat doet haar man. Terwijl ik mijn verbazing uitspreek dat ik haar off all people in de supermarkt tegen kom zegt ze: ‘Ja, je kent het, de kerstboodschappen.’ Ze kijkt in mijn karretje en vraagt me of ik het allemaal al in huis heb. Ik kijk haar verbaasd aan en zeg: ‘Dit zijn mijn weekboodschappen’. Ze vertelt me over haar uitgebreide kerstdiner en wat ze daarvoor allemaal nodig heeft. Het water loopt me in de mond, maar ik moet er niet aan denken om zo lang in de keuken te gaan staan om een maaltijd klaar te maken. We hebben het eventjes over het artikel dat ik vanmorgen las. ’Nou december is inderdaad altijd een dure maand met al dat extra eten.’ zegt ze met een schuddend hoofd.
‘Wat eet jij dan met kerst?’ vraagt ze met een schuine blik in mijn karretje.
Ik voel mijn lippen krullen.
‘Eerste kerstdag eten we ergens anders en gaan we gourmetten.’
‘Altijd gezellig, ‘ geeft ze toe. ‘En tweede kerstdag?’ vraagt ze geïnteresseerd.
‘Dan eten we pannenkoeken.’
Je had haar hoofd moeten zien. Volgens mij heb ik haar op een idee gebracht.

© Angelique van Dam – december 2011

Buurman

Laatst las ik een artikel over eenzaamheid. Treurig dat het bestaat. Mensen aan hun lot overlaten.

Ik kan van mezelf niet zeggen dat ik eenzaam ben. Soms zou ik graag even ‘alleen gelaten worden’. Lijkt me heerlijk. Even niet met iemand praten, niet gezellig doen. Gewoon even eenzaam zijn.

Ik werk elke ochtend en loop elke dag het zelfde stukje van mijn auto naar mijn werk. Ik kom langs een schooltje waar kinderen al hard aan het leren zijn. Ik steek over bij een bruggetje waar ik de eendjes gedag zeg en elke keer weer denk: ik zou eens wat brood voor ze mee moeten nemen.
Dan steek ik het zebrapad over. En om vijf voor negen, loop ik langs ‘Buurman’. Zo heb ik hem genoemd. Ik weet niet hoe hij heet. Maar ik weet best veel van hem. Buurman houdt van papagaaien (die hangen aan zijn schutting). Hij houdt van Indianen (die staan voor zijn kamerraam). En hij is een echte Ajax fan (dat zie je écht overal aan).

Elke morgen, de afgelopen twee maanden, zei Buurman me gedag. Hoe hij het voor elkaar krijgt, ik weet het niet. Maar hij was er elke dag, om me een goeiemorgen te wensen. De ene keer veegde hij zijn achtertuintje aan, dan prutste hij aan zijn fiets. Een volgende keer stapte hij op diezelfde fiets om boodschappen te doen of maakte een praatje met de bouwvakkers die werkten aan de weg voor zijn huisje.
En elke morgen zei hij: ‘Mogguh’.
En ik? Ik zei hem goedemorgen terug.
Voor mij hoorde Buurman bij mijn werkdag. Ik vroeg me soms af: Zou ik soms de enige zijn die hem elke dag gedag zegt? Zou Buurman eenzaam zijn? Ik denk het wel, waarom zou hij anders elke dag ‘op me wachten’. Of is het gewoon een oude vriendelijke man die een ‘jong’ groen blaadje voorbij ziet komen. Ik weet het niet en vragen durf ik niet.
Vanaf vorige week toen het weer zo omsloeg was hij niet meer buiten als ik langs kwam lopen, maar zat hij op de bank een krantje te lezen of trok hij dode blaadjes uit de plantjes voor het raam. En dan zwaaide hij. Zou hij me missen, nu ik die route niet meer loop?

© Angelique van Dam – november 2011

Een grafsteen, die moest ik hebben…

Eigenlijk zou ik enorm in de stress moeten zitten voor de snel naderende deadline van mijn verhaal over Laura en haar koe. De deadline is komende zaterdag, middernacht. Klinkt wat duister, dat ‘middernacht’ vind je ook niet? Nu ben ik van plan om zeer binnenkort mijn duistere kant eens te laten zien.
Halloween staat weer voor de deur. Een feest waar ik altijd reikhalzend naar uitkijk. Want dán mag ik eindelijk weer eens de verkleeddoos in. Nee, ik huur geen dure Halloween outfit. Ik trek gewoon van alles uit de kast. Pak een fleecedeken en verbouw die tot heuse heksencape, pak mijn galahandschoenen en een korsetje uit mijn uitgaansperiode (errug lang geleden), haal die oude laarzen van zolder, trek en te lange zwarte rok uit mijn kast en laat de voorpret maar beginnen. Zo gaandeweg verzamel ik van alles om me heen.

Die pret begon al half september. Toen de juffen van school vroegen of ons huis weer ‘Halloweenhuis’ mocht zijn. Ik zwaaide al met mijn bezemsteel ‘ja ik wil!’. En dan begint er bij mij van alles te borrelen. Ik ging naar het dorp voor iets onzinnigs (vast shampoo of zo) en kwam terug met een tas vol Halloween spullen. Niemand dacht op dat moment al aan Halloween (en maakte zich vooral druk dat de pepernoten al weer in de winkels lagen.)
Ik kocht een spinnenweb, een Halloween schaaltje voor het snoep en een nieuwe heksenmuts compleet met gesp. Ik stuurde mijn lief met de kinders op pad voor mooie pompoenen. En zag bij de Xenos een grafsteen, zo gaaf! Die moest ik hebben.

Hoe bizar kan het zijn, dat ik, keurige moeder/secretaresse/schrijfster zo enorm op kan gaan in een verkleedfeestje van een uurtje. Het kan me niet schelen. Omdat ik nog niet ‘compleet’ genoeg was ging ik surfen op het wereldwijdeweb. Ik kwam honderden verkleedwinkels tegen. Ik wist alleen nog niet precies wat ik zocht. En toen zag ik het. Een heuse heksenpruik, met gitzwarte haren en twee keigrijze banen. Die pruik, daar stond mijn naam op! Hup in mijn digitale winkelmandje en laat maar komen. Natuurlijk zat er een weekend tussen en moest ik (naar mijn bescheiden mening) té lang wachten op mijn pakje.

Maandag kwam ik thuis van het werk. Briefje van de Postnl meneer, -Dat mijn pakje was afgeleverd bij mijn buurtjes-. Je raadt het al: ik vond dat briefje om elf uur ‘s avonds. Wat moest ik me inhouden om het pakje niet op te halen.

En toen, vanmiddag rond etenstijd, kwam de buurman mijn pakje brengen. Ik deed heel cool. ‘Dank je P., tof!’
Ik knalde de deur dicht en scheurde (tot grote verbazing van de kinderen) de doos aan gort. Daar zat ie in. Mijn heksen pruik en zwarte lippenstift. Ik scheurde, als een of ander geflipt tiepje, het plasticje van de pruik en scheurde het zakje van de lippenstift kapot. Schoof de pruik over mijn haren, stiftte mijn lippen zwart en liep naar de spiegel. Ik kwam niet meer bij! Dit is belachelijk en daarom geweldig!! De kinderen wilden gelijk een foto van me maken (wedden dat ik die ooit nog eens terug zie als ik vijftig word of zo). De pruik vonden mijn mannetjes okay, lekker gek zeg maar. Maar die zwarte lippen, dat was té eng. Toen ik ze vanavond naar bed bracht, ben ik, gewapend met pruik en lippenstift, naar mijn schrijfkamertje gegaan. Daar heb ik Laura (van mijn verhaal) gedag gezegd, mijn tong uitgestoken naar haar en ben de verkleeddoos in gedoken. Heb me in mijn zelf-bij-elkaar-geschraapte outfitje gehesen en heb heel hard om mezelf gelachen. Zeggen ze niet hoe ouder hoe gekker? Gelukkig, ik word zaterdag 36, het eind van al deze gekkigheid is nog niet in zicht.

© Angelique van Dam – oktober 2011

 

Kon ik maar in boeken wonen

Er zijn van die plekken waar je graag komt.

Mijn favoriete plekken zijn allemaal dichtbij huis. Ik hou van het strand, het bos en van uitgestrekte weilanden. Ik stap op mijn fiets (of in de auto) en binnen vijf minuten zit ik midden in één van mijn favoriete natuurgebiedjes.
Maar er zijn ook andersoortige plekken waar ik graag kom.
Neem mijn eigen zolderkamertje, of de keukentafel. Maar er is nog een plek…
De bibliotheek. Ik ga er vaak heen, om kinderboeken te lenen of te lezen. Vaak kom ik er om inspiratie op te doen. Ik neus dan niet alleen in boeken. Nee, ik kijk en luister vooral naar mijn doelgroep. De jongens en meiden die bij de boekenkasten staan en een boek uit zoeken.

Heel stiekem heb ik altijd graag in de bibliotheek willen werken. Maar dat leek me onmogelijk. Misschien een baan als vrijwilliger, maar meer dan dat had ik niet verwacht.
Want als schrijfster, werken in een bibliotheek, dat is toch dé place to be?

En je gelooft het niet, maar een paar weken terug zag ik een vacature bij de bibliotheek. Ze zochten een secretaresse.
Hoe is het mogelijk. Je kunt wel raden dat ik niet lang hoefde na te denken om een sollicitatiebrief te schrijven. En zo het geschiedde. Ik schreef de brief en wachtte in spanning af. Eind augustus werd ik uitgenodigd voor een gesprek en voor ik het in de gaten had, was de baan voor mij!
Ik ben pas net begonnen, maar voel me als een vis in het water. Overal waar ik kijk staan boeken.

Nu deze droom is uitgekomen, droom ik gelijk een stapje verder.
Hoe zou het voelen om beneden, in de bibliotheek, een eigen plekje te hebben?
Waar straks de kinderen mijn verhalen over Fien, Puck, Britt en Laura kunnen pakken…
Okay, ik draaf door…

Ik heb ergens eens gelezen, dat als je je dromen najaagt, het universum alles in het werk stelt om je te helpen. Heb ik deze baan aan het universum te danken? We zullen het zien…

©Angelique van Dam – september 2011

Een leeg nest

Terwijl mijn vriendinnen vol in de poepluiers en nachtelijke voedingen zitten met hun nieuwe baby’s, bereid ik me langzaam voor op het naar school gaan van mijn jongste zoon. Over drie weken wordt hij vier. Hij oefent eens per week bij de kleuters. Superspannend voor hem. Als ik hem ‘s morgens vroeg vertel dat hij weer naar de kleuters mag, is hij door het dolle heen. Als we zijn grote broer wegbrengen weet hij niet hoe snel hij naar de kleuterklas moet sprinten. Want dat is waar hij de hele week op wacht: naar de kleuters gaan. Als hij het klasje instapt en alle kindjes ziet realiseert hij zich opeens dat ik dan ook wegga. Hij knuffelt en kust me dat het een lieve lust is. Als ik het klasje uit loop rent hij me snel achterna.

‘Nog één kusje mama.’ De juf komt en haalt hem op. Hij loopt gewillig met haar mee. En dan draait hij zich om: ‘nog één kusje mama, en een knuffel.’ Mijn kereltje is stoer, maar dan even niet. Snel ga ik naar huis, met een hoofd vol plannen. Gelukkig weet ik hij het super heeft op school. En dat ik even mijn handen vrij heb om iets te doen, in huis of voor mezelf. Meestal komt er niets van terecht, en zit ik dom op het internet of haal snel even een boodschapje.

Toen hij zo’n klein hummeltje was en mij druk bezig hield met vieze luiers en nachtvoedingen, heb ik reikhalzend uitgekeken naar juni 2011.
En nu het bijna zo ver is, kan ik naar hem kijken en wensen dat hij nog dat baby’tje was waar ik de hele dag zo druk mee was. Over een paar weken heb ik beide kinderen op school.
Wat voel ik daarbij? Ben ik nu oud, tussen al die baby mama’s, omdat ik schoolgaande kinderen heb? Ik kan niet meer mee praten over voedingen en vieze luiers. Maar juist die vriendinnen wijzen met op de vrijheid die ik weer krijg.
Vrijheid om weer eens ongestoord alleen een winkel binnen te lopen en iets te passen, een vriendin op te zoeken en kunnen kletsen zonder met één oog je jongste kind in de gaten te houden, ongestoord een boek lezen. Of eindelijk díe tijd in het schrijven te stoppen die het verdiend. Maar waarom voel ik dan toch een beetje weemoed en verlangen naar kinderen die thuis zijn. Is het omdat ik het zo gewend ben om altijd kinderstemmetjes te horen, onmogelijke vragen te beantwoorden, te knutselen en voor te lezen, antwoord te geven op de vragen die hij stelt, te schrijven en telkens weer bruut uit mijn eigen verhaal getrokken te worden.
Ik besef nu dat ik een andere levensfase in ga. Ikzelf én de kinderen.
Nu borrelt ook de onderliggende reden waarom ik uitkeek naar de zomer van 2011 weer boven.
Als deze kleine draak ook naar school gaat heb ik in één klap veel tijd om nu écht serieus met het schrijven bezig te gaan. Schrijfkilometers te maken. Want het andere waar ik ook naar uitkijk: een kinderboek van mijn hand in de winkel, lijkt op eens een beetje meer realistisch. Ik beloofde het mezelf in 2009, dat ik in 2012 zal ik gaan debuteren. Ik geloof erin, jij ook?

©Angelique van Dam – mei 2011

Wraak van de vaatmachine

Ken je dat, dat je nog even snel iets in de al draaiende vaatwasser stopt. En dat dan ook doet zonder op te letten? Ik wel, eigenlijk elke dag. En het gaat altijd goed. Tot vandaag. Ik was verwikkeld in een voetbalkwestie met mijn lief. Waar het over ging? Ik denk dat het iets was naar aanleiding van het nieuws. De Bavaria actie met de jurkjes die de FIFA niet kon waarderen. Al een onderwerp voor een blog op zich, maar dat terzijde.

Als ik de twee vuile bordjes op het aanrecht zie staan, zucht ik opvallend hard. Ik hoor het klotsende water van de vaatwasser. “Lief, had je die er nou niet eventjes bij in kunnen stoppen?’ Hij kijkt me onschuldig aan. ‘Nee, jij had hem toch al aangezet.’ Ja, tuurlijk, mijn schuld. Zonder nadenken en nog verwikkelt in de voetbalkwestie trek ik, gebukt met de bordjes in de hand, de vaatwasser open. Wat denk je: spuit dat rare ding me recht in mijn giechel! En niet een klein beetje water. Nee, gewoon nat tot op het bot! Nog zes minuten, las ik op de display. Bulderend van het lachen pakte ik de handdoek van het haakje. Om mijn gezicht af te drogen. Onvoorstelbaar! Hoe lang heb ik nu al een vaatwasser, een jaar of zes. Maar dit is me nog nooit overkomen. Het voelt als de revanche van mijn vaatwasser. Is de maat vol. Is hij het zat, dat ik telkens het deurtje opentrek en er toch nog even wat bij in gooi? Ik weet het niet, maar ik kwam niet meer bij van het lachen. Mijn mascara was niet opgewassen tegen deze waterval, de keukenvloer is nat. Nu piept hij, de vaat is klaar. Met pretogen kijk ik naar de twee vuile bordjes. En ik heb één ding geleerd. Op zes minuten resterende wastijd, is onze vaatwasser aan het spoelen.

Lieve Bosch, ik zal het niet meer doen 😉

©Angelique van Dam – mei 2011

Afscheid

Niemand zal het ontkennen: elk afscheid heeft een bepaalde emotionele lading. Een afscheid van een geliefde is heftiger dan afscheid nemen van iets materieels, maar ook dat laatste kan nog flink heftig uitpakken. Ik neem je mee naar mijn recentste afscheid.
Ik ben lenzendraagster en dat al achttien jaar lang. Dag in dag uit, gepriegel om de lenzen in te zetten. Om ze er ’s avonds weer uit te halen. Het gepriegel werd al snel een handigheidje en voor ik het in de gaten had, hoorde het inzetten van mijn hulpstukken bij het dagelijkse ritueel zoals tandenpoetsen en haren kammen.

Nooit dacht ik er over na. De pijn die ik had bij het inzetten nam ik voor lief. Een bril heb ik wel, maar die hoort bij mijn pyjama. Maar weinig mensen zien of zagen me buiten met mijn bril. Tot vandaag.

Er is nog geen dag voorbij gegaan dat ik niet scheldend van de prikkende, tranende ogen de badkamer uitliep en op de tast die verrekte lenzen verwenste.
Maar gister ben ik voor de spiegel blijven staan. Ik heb heel bewust gekeken naar de dikke tranen die over mijn wangen een weg naar het zuiden vonden, de rode drakenogen die ik direct krijg door de vloeistof die contact maakt. Mijn lopende neus.

Tussen mijn wimpers door en met mijn neus zowat tegen de spiegel gedrukt, keek in naar mijn vertrokken gezicht in de spiegel, de geïrriteerde bloedvaatjes en ik bleef denken: dit is de laatste keer dat ik ze inzet.
In die achttien jaar ben ik me nog nooit zo bewust geweest van mijn lenzen als gisteren. De hele dag wilde ik ze uitdoen, maar ik deed het niet. Ik wilde die pijn en het ongemak blijven voelen. Gewoon om het niet te vergeten.
Gisteravond toen het tijd werd om ze uit te doen, hakte het er in.
Ook het uitdoen is iets wat ik voor het laatst zou doen. Ik heb mijn lenzen zo lang mogelijk ingehouden om te voelen hoe ze prikten. Toen ik tegen mijn lief zei: ‘Ik ga die verrekte lenzen er uit halen’, schoot ik vol. Tranen, nu niet van de lenzen, maar om de lenzen. Het feit dat ik dan ook afscheid zou nemen van die specifieke pijn en een handeling die ik zo lang heb gedaan, dag in dag uit, valt nu weg.
Het voelt als het afsluiten van een periode uit mijn leven, het maakt me wat bang en onzeker voor wat er komen gaat. Net als een echt afscheid.
Vanaf nu draag ik mijn bril. Ik ben benieuwd of ik ook zo emotioneel word, als ik die bril voor de laatste keer afdoe, net voor de laserbehandeling die binnenkort plaatsvindt.

Tegen de tijd dat jij dit leest, is het laseren al gebeurd en rol ik in de volgende pijn en emotie. Ik stel me voor dat ik een paar dagen in de Sahara ben, zere ogen met gevoelsmatige ‘vuiltjes’ of ‘zand’ er in. Maar wel een pijn die eindig is. En de emotie? Ik weet het niet. Ik kom er vast op terug.

©Angelique van Dam – april 2011