Een leeg nest

Terwijl mijn vriendinnen vol in de poepluiers en nachtelijke voedingen zitten met hun nieuwe baby’s, bereid ik me langzaam voor op het naar school gaan van mijn jongste zoon. Over drie weken wordt hij vier. Hij oefent eens per week bij de kleuters. Superspannend voor hem. Als ik hem ‘s morgens vroeg vertel dat hij weer naar de kleuters mag, is hij door het dolle heen. Als we zijn grote broer wegbrengen weet hij niet hoe snel hij naar de kleuterklas moet sprinten. Want dat is waar hij de hele week op wacht: naar de kleuters gaan. Als hij het klasje instapt en alle kindjes ziet realiseert hij zich opeens dat ik dan ook wegga. Hij knuffelt en kust me dat het een lieve lust is. Als ik het klasje uit loop rent hij me snel achterna.

‘Nog één kusje mama.’ De juf komt en haalt hem op. Hij loopt gewillig met haar mee. En dan draait hij zich om: ‘nog één kusje mama, en een knuffel.’ Mijn kereltje is stoer, maar dan even niet. Snel ga ik naar huis, met een hoofd vol plannen. Gelukkig weet ik hij het super heeft op school. En dat ik even mijn handen vrij heb om iets te doen, in huis of voor mezelf. Meestal komt er niets van terecht, en zit ik dom op het internet of haal snel even een boodschapje.

Toen hij zo’n klein hummeltje was en mij druk bezig hield met vieze luiers en nachtvoedingen, heb ik reikhalzend uitgekeken naar juni 2011.
En nu het bijna zo ver is, kan ik naar hem kijken en wensen dat hij nog dat baby’tje was waar ik de hele dag zo druk mee was. Over een paar weken heb ik beide kinderen op school.
Wat voel ik daarbij? Ben ik nu oud, tussen al die baby mama’s, omdat ik schoolgaande kinderen heb? Ik kan niet meer mee praten over voedingen en vieze luiers. Maar juist die vriendinnen wijzen met op de vrijheid die ik weer krijg.
Vrijheid om weer eens ongestoord alleen een winkel binnen te lopen en iets te passen, een vriendin op te zoeken en kunnen kletsen zonder met één oog je jongste kind in de gaten te houden, ongestoord een boek lezen. Of eindelijk díe tijd in het schrijven te stoppen die het verdiend. Maar waarom voel ik dan toch een beetje weemoed en verlangen naar kinderen die thuis zijn. Is het omdat ik het zo gewend ben om altijd kinderstemmetjes te horen, onmogelijke vragen te beantwoorden, te knutselen en voor te lezen, antwoord te geven op de vragen die hij stelt, te schrijven en telkens weer bruut uit mijn eigen verhaal getrokken te worden.
Ik besef nu dat ik een andere levensfase in ga. Ikzelf én de kinderen.
Nu borrelt ook de onderliggende reden waarom ik uitkeek naar de zomer van 2011 weer boven.
Als deze kleine draak ook naar school gaat heb ik in één klap veel tijd om nu écht serieus met het schrijven bezig te gaan. Schrijfkilometers te maken. Want het andere waar ik ook naar uitkijk: een kinderboek van mijn hand in de winkel, lijkt op eens een beetje meer realistisch. Ik beloofde het mezelf in 2009, dat ik in 2012 zal ik gaan debuteren. Ik geloof erin, jij ook?

©Angelique van Dam – mei 2011

Wraak van de vaatmachine

Ken je dat, dat je nog even snel iets in de al draaiende vaatwasser stopt. En dat dan ook doet zonder op te letten? Ik wel, eigenlijk elke dag. En het gaat altijd goed. Tot vandaag. Ik was verwikkeld in een voetbalkwestie met mijn lief. Waar het over ging? Ik denk dat het iets was naar aanleiding van het nieuws. De Bavaria actie met de jurkjes die de FIFA niet kon waarderen. Al een onderwerp voor een blog op zich, maar dat terzijde.

Als ik de twee vuile bordjes op het aanrecht zie staan, zucht ik opvallend hard. Ik hoor het klotsende water van de vaatwasser. “Lief, had je die er nou niet eventjes bij in kunnen stoppen?’ Hij kijkt me onschuldig aan. ‘Nee, jij had hem toch al aangezet.’ Ja, tuurlijk, mijn schuld. Zonder nadenken en nog verwikkelt in de voetbalkwestie trek ik, gebukt met de bordjes in de hand, de vaatwasser open. Wat denk je: spuit dat rare ding me recht in mijn giechel! En niet een klein beetje water. Nee, gewoon nat tot op het bot! Nog zes minuten, las ik op de display. Bulderend van het lachen pakte ik de handdoek van het haakje. Om mijn gezicht af te drogen. Onvoorstelbaar! Hoe lang heb ik nu al een vaatwasser, een jaar of zes. Maar dit is me nog nooit overkomen. Het voelt als de revanche van mijn vaatwasser. Is de maat vol. Is hij het zat, dat ik telkens het deurtje opentrek en er toch nog even wat bij in gooi? Ik weet het niet, maar ik kwam niet meer bij van het lachen. Mijn mascara was niet opgewassen tegen deze waterval, de keukenvloer is nat. Nu piept hij, de vaat is klaar. Met pretogen kijk ik naar de twee vuile bordjes. En ik heb één ding geleerd. Op zes minuten resterende wastijd, is onze vaatwasser aan het spoelen.

Lieve Bosch, ik zal het niet meer doen 😉

©Angelique van Dam – mei 2011

Afscheid

Niemand zal het ontkennen: elk afscheid heeft een bepaalde emotionele lading. Een afscheid van een geliefde is heftiger dan afscheid nemen van iets materieels, maar ook dat laatste kan nog flink heftig uitpakken. Ik neem je mee naar mijn recentste afscheid.
Ik ben lenzendraagster en dat al achttien jaar lang. Dag in dag uit, gepriegel om de lenzen in te zetten. Om ze er ’s avonds weer uit te halen. Het gepriegel werd al snel een handigheidje en voor ik het in de gaten had, hoorde het inzetten van mijn hulpstukken bij het dagelijkse ritueel zoals tandenpoetsen en haren kammen.

Nooit dacht ik er over na. De pijn die ik had bij het inzetten nam ik voor lief. Een bril heb ik wel, maar die hoort bij mijn pyjama. Maar weinig mensen zien of zagen me buiten met mijn bril. Tot vandaag.

Er is nog geen dag voorbij gegaan dat ik niet scheldend van de prikkende, tranende ogen de badkamer uitliep en op de tast die verrekte lenzen verwenste.
Maar gister ben ik voor de spiegel blijven staan. Ik heb heel bewust gekeken naar de dikke tranen die over mijn wangen een weg naar het zuiden vonden, de rode drakenogen die ik direct krijg door de vloeistof die contact maakt. Mijn lopende neus.

Tussen mijn wimpers door en met mijn neus zowat tegen de spiegel gedrukt, keek in naar mijn vertrokken gezicht in de spiegel, de geïrriteerde bloedvaatjes en ik bleef denken: dit is de laatste keer dat ik ze inzet.
In die achttien jaar ben ik me nog nooit zo bewust geweest van mijn lenzen als gisteren. De hele dag wilde ik ze uitdoen, maar ik deed het niet. Ik wilde die pijn en het ongemak blijven voelen. Gewoon om het niet te vergeten.
Gisteravond toen het tijd werd om ze uit te doen, hakte het er in.
Ook het uitdoen is iets wat ik voor het laatst zou doen. Ik heb mijn lenzen zo lang mogelijk ingehouden om te voelen hoe ze prikten. Toen ik tegen mijn lief zei: ‘Ik ga die verrekte lenzen er uit halen’, schoot ik vol. Tranen, nu niet van de lenzen, maar om de lenzen. Het feit dat ik dan ook afscheid zou nemen van die specifieke pijn en een handeling die ik zo lang heb gedaan, dag in dag uit, valt nu weg.
Het voelt als het afsluiten van een periode uit mijn leven, het maakt me wat bang en onzeker voor wat er komen gaat. Net als een echt afscheid.
Vanaf nu draag ik mijn bril. Ik ben benieuwd of ik ook zo emotioneel word, als ik die bril voor de laatste keer afdoe, net voor de laserbehandeling die binnenkort plaatsvindt.

Tegen de tijd dat jij dit leest, is het laseren al gebeurd en rol ik in de volgende pijn en emotie. Ik stel me voor dat ik een paar dagen in de Sahara ben, zere ogen met gevoelsmatige ‘vuiltjes’ of ‘zand’ er in. Maar wel een pijn die eindig is. En de emotie? Ik weet het niet. Ik kom er vast op terug.

©Angelique van Dam – april 2011

ScriptPlus

Vorige maand was het zo ver. ScriptPlus begon. Omdat ik het toch altijd wat eng vind om alleen een eind van huis te gaan met de auto, ging ik gewapend met navigatiesysteem, extra drinken en eten (stel je voor dat je verdwaald) naar Amsterdam Amstel. Het was een onwijs leuke dag. Heerlijk om je alleen te focussen op het schrijven met gelijkgestemden. Schrijverszielen.

Omdat ik de eerste les behoorlijk stressvol vond omdat ik met de auto te ging, Besloot ik de tweede bijeenkomst , met trein te gaan zodat ik rustig mijn huiswerk kon doorlezen. De trein is op zich een onderneming op voor me. Ik denk dat het de vorige eeuw was toen ik alleen met de trein ging.
Afijn, mijn lief en kinderen hebben me op het station afgezet. Stom gedoe, kaartje kopen. Vroeger had ik een OV kaart. PARDON! Twintig euro voor een retourtje Amsterdam-Amstel! Allemachtig! Ineens schoot ik terug naar de guldentijd. Dat is meer dan veertig gulden. Ik dacht dat het openbaar vervoer zo goedkoop was. Met een retourtje Amsterdam-Amstel op zak, durfde ik me te begeven naar spoor twee en wachtte op de stoptrein richting Utrecht.

De trein kwam keurig op tijd. Ik zocht een fijn plekje bij het raam, opende mijn studiemap en ging aan de slag. Ik verbaasde me over de rust die over me heen viel en was al helemaal relaxt toen ik de trein wat vaart kreeg. Dat treinreizen is zo slecht nog niet. Uiteraard wist ik niet precies hoe vaak de trein zou stoppen dus ik stond een station te vroeg op en liep naar het halletje. Daar zaten drie jongens. Twee driftig in gesprek over de mooie plekken op aarde waar ze nog naar toe wilden. En er zat een jonge jongen die me goedkeurend van top tot teen bekeek. Nou ben ik niet op mijn bekje gevallen, maar dat voelde toch ook een beetje vreemd. Zo’n broekkie…
Hij sprak me aan omdat ik, tegen niemand in het bijzonder, riep of dit Station Amersfoort was. Die jonge jongen gaf antwoord. Nee, nog één station verder. Omdat die klere trein zo’n herrie maakte moest ik dichterbij hem gaan staan om hem te kunnen verstaan. Hij keek me diep in mijn ogen en vroeg:
‘Ga je naar je vriendje?’ Ik stikte nog net niet in mijn kauwgompje.
Ik: ‘Nee, ik ga naar school.’
Hij: ‘Heb je een vriend en zo nee, gaan we samen iets drinken?’
Ik was eigenlijk geschokt dat ie zo direct was. Maar vroeg hoe oud hij was. Hij vroeg me te raden.
‘Ik denk begin twintig,’ zei ik voorzichtig. Ik had het goed. Hij vroeg me naar mijn telefoonnummer, zodat we konden afspreken. Ik vroeg hem naar zijn nummer, omdat ik zogenaamd mijn mobiel niet bij me had. Zijn nummer schreef ik op mijn hand. Hij smeet nog met wat complimenten, waar ik me behoorlijk ongemakkelijk over voelde en ik vroeg hem: ‘Hoe oud denk je dat ik ben?’ Toen gaf hij een strelend antwoord. Ergens achter in de twintig, een glimlach rond mijn mond. Ja, nu was het tijd om hem uit een droom te helpen. ‘Martijn, ik ben vijfendertig, getrouwd en heb twee kinderen’. Hij schrok niet eens, en wilde toch iets met me drinken. En daar zit ik dan nu, op zondagmorgen, met een telefoonnummer op mijn hand geschreven, die werkelijk niet wil vervagen hoe vaak ik mijn handen ook was. Ik ga hem niet bellen of sms-en. Hij weet niet eens hoe ik heet. Het enige dat hij weet is dat ik kinderverhalen schrijf. Laten we dat maar gewoon zo houden.

©Angelique van Dam –  maart 2011

Tommie

Het lijkt bij ons net een dierentuin. Met vooral kleine huisdieren. Een dikke ouwe kater Nicky, een piratenaquarium met vier naamloze goudvissen, en onze laatste aanwinst van zomer 2010: een uit de kluiten gewassen dwergkonijn Tommie. Hij heeft een soort van weilandje in onze tuin. En met Tom, daar was iets mee deze week.

Vorige week zondagmorgen stuiterde Tommie nog door zijn reuzenren heen en weer toen ik hem ging voeren. Hij sprong als een gek tegen het hekwerk op, zo blij was hij me te zien. Bakje voer weer gevuld, vers water gegeven, een lekker snoepje zoals elke zondag.

Wij vertrokken naar Beverwijk, kochten een prachtig schilderij, sloegen een jaarvoorraad geurtjes en scheermesjes in, een nutteloos cadeautje voor de kids en gingen weer richting huis.
Het werd maandag. Het was die morgen een drukke maandagochtendspits. Tommie moest even wachten tot mijn middagpauze voor zijn eten. Niets aan de hand. In mijn lunchpauze naar huis, voor een broodje voor mezelf en een bakje voer en vers water voor onze Tom. Nadat ik eerst mezelf van eten had voorzien ging ik al roepend en rammelend met zijn voerblik naar buiten en verwachtte een Tommie die door zijn ren heen zou stuiteren. Maar, ik zag niets. Geen Tommie, wel zijn bakje met voer half leeggegeten, zijn drinken nog helemaal vol. Vreemd. Ik opende het deksel van zijn hok, nog even dacht ik: die gekkerd ligt misschien gewoon te pitten. Eerlijk toegeven ik heb hem nog nooit zien slapen, maar ik voelde al iets toen ik naar zijn lege ‘slaapkamer’ keek.

Tommie was ontsnapt. Op mijn knieën in mijn nette werkkleding sloop ik door zijn ren. En daar zag ik het. Onze Tom had zijn gaas doorgebeten en was op pad. Gewoon pleite. Ik riep hem maar kreeg geen reactie uiteraard. Ik speurde de tuin af om te kijken of Tom zich verstopt had tussen de voorzichtig knoppen schietende hortensia’s. Ik zag een heleboel, hier een sneeuwklokje, daar een tulpje wat zijn kopje uit het zand stak, maar geen Tom. Ik ben nog roepend door de straat gelopen, maar geen Tom die naar me toe kwam. Die avond na het werken was hij nog niet thuis. Ik durfde het de kinderen nog niet te vertellen. Wat zouden ze verdrietig zijn. Ik vertelde het mijn lief en hij zei: ‘Ach, die komt wel weer terug. Het is niet de eerste keer dat ie op stap is.’ Helemaal waar.

Toen ik dinsdag terug kwam van mijn werk was Tommie nog niet thuis. Toen floepte ik het er tijdens het avondeten per ongeluk uit. Ik zag die beteuterde gezichtjes van de kinderen en stelde voor om even de buren te vragen of ze Tom gezien hadden. Samen met de kinderen gingen we van deur naar deur. Niemand had Tom gezien. Een buurvrouw verderop herinnerde zich nog dat ze hem zag, zondagmiddag, drie huizenblokken verder. Dus besloten we daar te gaan zoeken. Mijn lief had zich inmiddels bij ons gevoegd. We zochten in de vallende avond naar een holletje in de geluidswal of een teken van Tommie. Maar het mocht niet baten. De oudste zoon dacht dat zijn vriendje onze Tom misschien gezien had. We belden aan en vroegen het zijn vader. En toen wisten we het… Tommie is er niet meer. De vader van dit vriendje had hem die maandag op laten halen. Hij was aangevallen door een hond.
Ik pinkte een traan weg. Ik vond het zo zielig dat onze Tom op die manier aan zijn eind was gekomen. De jongste (3) snapte het niet dat Tommie niet meer thuis zou komen. Ik vertelde dat hij in de dierenhemel was, boven de wolken. Hij keek omhoog de donkerblauwe lucht in. ‘Mama, ikke hem niet zien hoor!’ Hij dacht duidelijk na over de zin of onzin die ik hem verteld had. De volgende dag, vorige week woensdag vroeg de oudste aan me: ‘Mam, hoe heette ons konijn ook al weer?’ Ze vergeten het zo snel. Maar voorlopig blijf ik even weg uit de dierenwinkel, want voor ik het weet hebben we weer een konijn. Ik kan ze toch niet weerstaan. Het hok gaat weg, ik heb er iemand voor gevonden. Het zal best lastig zijn de spullen op te ruimen, want een gek en lief konijn dat was het zeker. Onze Tommie gaf kopjes dat had hij van Nicky geleerd.

©Angelique van Dam – februari 2011

‘Een jas voor IJsbeer’ voorgelezen!

Vorig jaar november blogde ik over ‘Een jas voor IJsbeer’ en over de wedstrijd “Aan het Woord!” Ik moet hier natuurlijk nog wel op terugkomen. Helaas, de wedstrijd niet gewonnen. Ik heb er geen traan om gelaten. Wel erg leuk om eens te zien hoe dat gaat. Leuke mensen ontmoet en gewoon genoten van het avondje uit.

Maar het IJsbeer verhaal kreeg nog een (wiebel) staartje. Ergens begin december vroeg mijn docente Jacobina Kunnen, (zelf Kinderboekenschrijfster) of ze mijn verhaal mocht voorlezen op de Bossche Winter Parade in Den Bosch. Ik was zeer vereerd en gelijk ook weer onzeker. Wat nou als.. natuurlijk, je begint me een beetje te kennen.
Vriendin en schrijfmaatje Sabine vroeg me of ik zelf niet ging luisteren naar mijn verhaal. Nu is Den Bosch niet echt hier om de hoek, maar dat mag de pret natuurlijk nooit drukken. Het gevoel dat ik misschien toch wel naar Den Bosch wilde om mijn eigen verhaal te horen was geboren. Ik sprak er over met mijn lief en hij opperde direct om met de hele familie te gaan. Ik sputterde nog even tegen. ‘Hoezo? Met zijn allen?? Jacobina leest alleen maar mijn Kinderverhaal voor. Iedereen in Huize Van Dam kent Een Jas voor IJsbeer inmiddels wel.’
Met een lichte twijfel zei ik tegen mijn lief: ‘Ach joh, laten we maar even kijken wat het weer doet, hoe glad de wegen zijn.’ en nog wat opmerkingen van die aard.
Maar naarmate de maandag voorbij kroop en ik te horen kreeg dat Jacobina écht mijn verhaal daar ging voorlezen, groeide bij mij het gevoel van trots. Ik moet hier toch bij zijn? Dit is mijn verhaal. En zo het geschiedde. Het werd dinsdag 28 december. Ik zou de hele dag werken, maar besloot die middag vrij te nemen. Thuis gekomen zat iedereen al klaar voor vertrek.
Toen we uiteindelijk op de Parade in Den Bosch aankwamen, was ik behoorlijk in schok. Dit was écht iets. Niet zomaar een klein iets, nee, een écht evenement. Met heuse kermisattracties, een soort van bar/koffiehuis, een poffertjes kraam en de NCRV met de wenskerstboom. Allemachtig! Een man las verhalen voor in een kring met kinderen. Zou daar mijn IJsbeer verhaal ten gehore worden gebracht?
Nadat we een bak koffie dronken om weer warm te worden zag ik Jacobina staan. Als snel vertrok ze naar het podium. Waar ze mocht plaatsnemen op de voorlees troon. Mijn verhaal zou over het plein heen schallen. Wat vet!
Ze ging zitten, pakte mijn verhaal uit haar tasje en vertelde dat het verhaal dat ze ging voorlezen een verhaal was van een studente van haar. Ik glom van trots, toen al
Gelukkig heb ik zo’n supersonische mobiel die van alles kan en ik besloot mijn verhaal te filmen. Na een minuut of tien was het verhaaltje uit. Ze noemde mijn naam. Ze zei: ‘De auteur van dit verhaal is Angelique van Dam’… bafffff, die hakte er in. IK? Auteur??? Ik dook nog net niet achter mijn lief.
Ik was bang dat ze nog even zou melden waar ik precies op het plein stond. En toen gebeurde het. Ik kreeg applaus. Ja, echt applaus van alle mensen op het plein. Ik sprong niet op om te laten zien dat IK de auteur van dit verhaal was, nee, ik glom in mijn eigen wereldje. En nog steeds. Telkens als ik het filmpje bekijk, dan glim ik weer.
Dat eerste applaus, dat smaakt naar meer!

©Angelique van Dam – januari 2011

Kerstboomleed

Direct nadat de Sint met zijn Pieten weer vertrokken is naar Spanje, moet en zal die kerstboom van de zolder af. Ik wil dat dan. Stiekem wil ik hem gewoon al in november zetten. Maar ja, kleine kinderen hier, dus ik doe ‘gezellig’ mee aan Sinterklaas. Meestal staat de boom de dag na Sinterklaas. Dit jaar met gevaar voor eigen leven… Het was nogal een rommeltje (en nog steeds) bij mij op zolder.

Maar belofte maakt schuld, ik had de jongens beloofd de woensdag na Sinterklaas de kerstboom op te tuigen. Had er niet aan gedacht mijn lief te vragen de kerstpullen vast te pakken. Gewapend met een gammele huishoudtrap en twee jongens in mijn kielzog vertrokken we richting zolder. Met een raar gevoel in mijn buik of ik wel weer van die vlonder af zou komen, instrueerde ik de kids om direct naar de buren te lopen als mama van de vlonder af zou kletteren. Je had ze moeten zien kijken…
Op de vlonder aangekomen, kreeg ik eerst ontzettende kramp in mijn voet. Jaha, lekker krampachtig de vlonder op klimmen met mijn 35-jarige lijf. Gaat niet echt soepel meer. Kermend en kreunend lag ik op de vlonder. Mijn oudste zoon vroeg of hij de buurman moest gaan halen. Nee, nog niet nodig mannetje.
Tussen de laatste babyspullen, zomerspullen en pakken laminaat lagen de kerstspullen. Eerst alles maar eens naar de voorkant van de vlonder schuiven, zodat ik het later, vanaf de trap zo kon pakken. Druk in gedachten en scheldend op mezelf (en mijn lief) vanwege de bende daar, besefte ik me ineens dat ik de jongens niet meer hoorde. Normaal zijn ze nooit zo stil. Ik hing over de rand van de vlonder en riep ze. ‘Mama, we zitten hier!’ kreeg ik als antwoord. Een glimlach, ze zaten met zijn tweetjes helemaal weggedoken tussen de droger en de wasmachine. Op een stukje vloer van maximaal een halve vierkante meter.. Jammer dat je op zulke momenten geen camera bij de hand hebt. Ze deden me denken aan oorlogskindjes op een geheime zolder. Maar dan met pretoogjes. Toen ik vroeg waarom ze juist daar zaten zei de oudste: ‘Als je dan van de zolder afvalt, val je in ieder geval niet boven op ons’. Daar had hij een punt.
Na een kleine tien minuten had ik alles op de rand van de vlonder gezet. De boom, de ballen, de andere versiersels. Ik strekte mijn voet uit om te voelen waar de trap was en daar begonnen ze: ‘Mama, mama, goed zo, je bent er bijna!’ Moeilijk om dan je lachen in te houden en geconcentreerd af te dalen. Toen ik op de rand van de trap stond te balanceren, sprongen de jongens op en kreeg ik luid applaus! Ze waren helemaal door het dolle heen!! Wat een schatjes en wat een vertrouwen.
Na een paar keer heen en weer sjouwen met dozen lag al de kerstzooi in de kamer. Jemig, ik had nog niet nagedacht over een geschikte plek voor de boom. Dan maar voor het keukenraam. Niet de meest voor de hand liggende plek, maar nu staat ie me niet in de weg. Je kunt je voorstellen dat de mannetjes zelf de ballen in de boom wilden hangen. Ja, natuurlijk, alles op ooghoogte. Subtiel heb ik gestuurd hoe de ballen moesten hangen, dat snap je.
En nu, zo net voor de kerst heb ik al weer flink de balen van die kerstboom. Vraag me niet waarom, hij staat niet in de weg, er liggen veel cadeautjes uit Amerika onder. Wat wil je nog meer? Nou, gewoon weer mijn huis zoals het is. Opgeruimd en netjes, geen storende kerstbomen voor mijn keukenraam. Geen jengelende wintergezichten op de kasten, geen kerstman die telkens van de vensterbank af valt. Geen kinderen die elke morgen beneden komen, de kerstboom het eerst groeten en vragen hoeveel nachtjes ze nog moeten slapen voordat de cadeautjes open mogen.
Ik overweeg om volgend jaar een kerstboom aan het plafond te hangen, gewoon op zijn kop. Kan ik volgend jaar ook niet lopen zeuren dat ik hem zat ben, omdat ik niet kan stofzuigen onder dat ding, of dat hij me het uitzicht naar mijn tuin ontneemt. Hoe het dan met de cadeautjes moet? Tja, dat zien we dan wel weer. Eerst maar eens zien of ik mijn lief zo gek kan krijgen dat hij een haak in het plafond gaat maken.
Fijne Feestdagen!

©Angelique van Dam – december 2010

Aan het woord Veluwe, deel 2

Een tijdje terug las je dat ik mee zou doen aan de schrijfwedstrijd ‘Aan het Woord!’. Maandag 15 november was de deadline.

Vorige week donderdag was het voor mij dan eindelijk zo ver. Ik wist dat de veranderingen die ik nog wilde maken het verhaal alleen maar zouden verbeteren. Toch bleef ik twijfelen. Ik vond het verhaal ook niet leuk meer.
Buiten het échte tijdgebrek, de ‘oh, ik moet nooodig naar de bieb’ (neptijdgebrek). Te moe, te laat in de avond, ‘not in the mood’ voor een kinderverhaal.
Ik heb mezelf donderdagmorgen, na het wegbrengen van Tristan gedwongen om er nog eens voor te gaan zitten. Ik las het verhaal, vond het (gelukkig) weer leuk, maar werd moedeloos van alle vraagtekens die het verhaal bij mijn proeflezer/coach/juf J. opriep. Nu moet ik zeker melden, dat J., zelf al een aantal kinderboeken op haar naam heeft staan.
Ik heb gedaan wat ik kon, geploeterd, gepoetst en het verhaal is een feit. Beter dan dit kan ik hem niet meer maken.
Het verhaal is leuk geworden, maar als maker vind je zelf altijd dat het beter kan.
Van een aantal lieverds om me heen kreeg ik te horen:
‘Je blijft altijd schaven, want je vind altijd wel iets wat in jouw ogen niet deugd’ of,
‘Jeetje, de eerste versie was al een dotje en toch is ie beter geworden’..
Maar na tien herschreven versies ben je het gewoon kwijt. Het gevoel dat het een leuk verhaal is. Na nog wat kleine tekstuele aanpassingen van een komma en een punt, een aanhalingsteken en woorden tellen (dat doet de pc gelukkig) was ik er echt ‘klaar’ mee.
Ik ben gaan printen en een voorblad gaan invullen. Op zich niet zo moeilijk, maar een biografie schrijven vind ik toch écht iets voor publicerende schrijvers.
Hoe dan ook. Donderdagmiddag, rond half drie heb ik hem op de post gedaan. Bij de Plus in de bak van TNT. Inmiddels heb ik de bevestiging binnen dat mijn verhaal ‘Een jas voor IJsbeer’ bij de desbetreffende persoon is en wordt gelezen door een vakkundige jury. Slik. Wat nou als ze niets met kinderverhalen hebben?
En toen kreeg ik een mail van J. . Dat er een reden is dat er een deadline is. Je moet het verhaal loslaten en insturen. Van een ander las ik: het is een wedstrijd voor NIET publicerende schrijvers, dus er mag best iets niet goed zijn. De uitslag is op zaterdag 11 december. Duim je voor me?

©Angelique van Dam – november 2010

Aan het woord Veluwe

Bij de bieb lag een flyer: Schrijfwedstrijd ‘Aan het woord 2010’.

Hij viel me op, niet omdat ie zo megagroot was, maar gewoon door het woord Schrijfwedstrijd denk ik. Terwijl ik met de bibliotheekmevrouw wat stond te kletsen zei ze: ‘Neem je die flyer van die wedstrijd even mee? Ik las je stukje in de krant en vindt echt dat je mee moet doen’. Met een kop als een biet graaide ik er eentje van de stapel stopte hem in mijn tas en wist niet hoe snel ik weg moest komen. Ik besloot die middags eens te snuffelen op de website.
Bij die snuffelactie bekroop me een beklemmend gevoel. Net of mijn hart even tijdelijk in het diepvriesvak lag. Er stonden foto’s van de winnaars op de website. Dat alleen al deed me huiveren. Het idee dat je, als je de wedstrijd zou winnen, je op een podium je eigen verhaal zou moeten voorlezen. Jemig, ik kan mijn verhalen niet eens voorlezen aan mijn eigen kinderen. Dat doet mijn lief. En ik, ‘off all people’ op een foto EN op een podium. Ik kreeg nu al de neiging om weg te rennen. Brrr.. Ik klikte de website weg en mikte de flyer bij het oud papier. Daar gaan we dus mooi niet aan mee doen!
En toen, op een schrijversforum kwam ik deze wedstrijd weer tegen. Het leek me te achtervolgen. Zou dit een teken zijn? Ik gaf toe en ging de website weer op om toch nog een keer te kijken. Ik zag dat de winnares van 2009 een plaatsgenoot was. Vol trots stond ze op de foto. Ik huiverde weer. Ik moet er toch niet aan denken! Mijn eigen gedachte over het winnen van die wedstrijd is minimaal. Ze kiezen heus niet een winnaar uit dezelfde woonplaats van de vorige winnares. Ik weet het, natuurlijk kan dat wel, maar ik hou mezelf graag voor de gek.
Niet lang daarna ontsproot er een verhaal in mijn hoofd. Een kinderverhaal over een ijsbeer. Die ijsbeer had het koud. Ik schreef, herschreef, stuurde het op naar een proeflezer. En plaatste het op een schrijversforum. Iedereen vond het een leuk verhaal. Dat gaf me iets meer zelfvertrouwen. Ik zou het er met mijn lief nog eens over hebben.
Nadat ik het met mijn lief over de wedstrijd had gehad en hem voorzichtig vertelde dat ik het ijsbeer verhaal misschien wel kon insturen, werd hij helemaal enthousiast. ‘Doen!’, zei hij. ‘Het is een leuk verhaal’. De feedback die ik kreeg op het forum maakte dat ik mijn zelfvertrouwen iets meer groeide. Maar dan is daar de volgende vraag: ‘Durf ik dit verhaal los te laten en in te sturen voor de wedstrijd?’ Ik sliep er nog wat nachtjes over. En ik heb een besluit genomen.
Ik stuur het in. Dit zou de eerste officiële schrijfwedstrijd zijn waar ik aan mee doe. Ik ga er niet van uit dat ik een kans maak. Maar heel stiekem hoop ik natuurlijk van wel. Ik krijg al zweethandjes bij de gedachte aan podium, voorlezen, foto’s. Maar ik doe het wel. De deadline voor het insturen is 15 november. De uitslag begin december. Wordt vervolgd.

©Angelique van Dam – oktober 2010

Vrouwtje

Op een doordeweekse dag besluit ik, om gewapend met een blokje en een pen op zoek te gaan naar de stilste plek dicht bij huis. Ik hoef niet ver. Het Vrouwtje van Putten.

Met kleine stappen loop ik naar het beeld. De kiezelsteentjes knarsen onder mijn voeten. Het geluid van die steentjes maakt de plek triest.
De dikke keurig onderhouden beukenhaag lijkt het lawaai buiten te sluiten. De voorbij razende vrachtwagens, bussen en fietsers ik hoor ze niet. Ik loop langs zeshonderd piepkleine veldjes. Voor het Vrouwtje stop ik.
Ze staat met haar gezicht richting de kerk. Daar vandaan werden ‘onze’ zeshonderd mannen weggevoerd. De stilte grijpt me naar de keel en ik laat het verdriet tot me doordringen. Mijn ogen dwalen af naar haar zakdoek. Het is de verkreukelde zakdoek die veel indruk op me maakt. Zij staat daar, als symbool voor al die Puttense vrouwen die hun man en zonen verloren. De tranen lopen over mijn wangen.
Opeens voel ik de aanwezigheid van iemand. Het is een oude vrouw. Zij is voor mij het échte vrouwtje van Putten. Ze huilt. Ik geef haar een zakdoek die ik onhandig uit het pakje trek. Samen huilen we. Ze dept haar gezicht en kijkt me aan. In haar betraande ogen zie ik dat ze mijn aanwezigheid waardeert. Ze vraagt me ‘Was jouw opa daar ook bij?’ Ik schud mijn hoofd. Nee.
Alsof het heel normaal is, steek ik mijn arm door de hare en samen lopen we zonder iets te zeggen naar het gedenkcentrum aan de overkant van de straat. Zwijgend stappen we de ruimte binnen. De deur valt in het slot. Het nagalmen van de deur blijft hangen in de kleine ruimte. Ik kijk naar de lange rij namen. Namen van oude mannen en jonge jongens. Ze loopt naar voren en wijst een naam aan.
‘Dat is mijn man. En daar de namen van mijn zonen’. Haar stem breekt. ‘Het gaat nooit voorbij, ik blijf ze missen’. Wat kan ik tegen haar zeggen om haar verdriet te verzachten. Ik weet dat er niets te zeggen is. Al 66 jaar lang is ze in rouw. De Duitsers, ze haat ze. Ze hoeft het me niet te vertellen want ik weet het.
We verlaten de ruimte. Ze laat mijn arm los en vraagt: ‘Heb jij kinderen?’
‘Ik heb er twee, jongens’.
‘Wees er zuinig op, en vertel ze over wat hier gebeurd is’. Ze aait over mijn wang. Ik zie dat ze zich zelf als jonge moeder, in mij terug ziet.
‘Mijn jongens zijn nog maar klein, ze weten nog niet waarom het vrouwtje huilt’, zeg ik zacht.
‘We lopen er vaak langs. Mijn oudste vraagt telkens weer: ‘Mama, waarom huilt ze nog? Zal ik haar een kusje geven?’ Ik vind het nog te vroeg om te vertellen wat er is gebeurd, maar tegen de tijd dat hij verder gaat vragen, dan vertel ik het hem, dat beloof ik’.
De oude vrouw en ik, we gaan allebei onze eigen weg. Zij met haar verdriet, en ik weet dat de Razziaherdenking weer een zware dag voor haar zal zijn. Dit jaar zal ik twee minuten stil zijn, voor haar. Voor haar verdriet.

©Angelique van Dam – oktober 2010